Als ik mijn tuin overzie, het is nu medio februari, dan is het maar een kale boel. Houtige stengels, met enige moeite herkenbaar als de schamele resten van sedum, teunisbloem en vingerhoedskruid, steken stram de lucht in of liggen geknakt neer. Bruingrijze kleuren overheersen nog, naast het zwart van de aarde en het dunne groen van de bloembollen. Ik heb tot nu toe gewacht met het opruimen van al dat dode materiaal, in de hoop op fraai berijpte stengels of met sneeuwhoedjes getooide zaaddozen.
Tot mijn grote vreugde liet een puttertje, onmiskenbaar met zijn kleurig kopje en de geelgestreepte vleugels, zich een paar maal zien op de overgebleven kaardenbol, driftig pikkend naar het zaad. Maar nu is ook deze omgewaaid en ligt te vergaan langs het pad. Langzamerhand wordt ‘t tijd voor een schoonmaakactie, met het verwijderen van al die houtige en afgestorven plantenresten komt er ruimte en licht voor het nieuw ontluikende groen.
Ik heb het gevoel dat iets dergelijks voor mijzelf trouwens ook geen kwaad kan. Herken je dat ook? Het kan soms zo voelbaar zijn aan je lijf of aan de manier waarop je dingen doet: het voelt houterig aan, zo stijf, de vitaliteit is zoek, er is weer routine en sleur geslopen in de handelingen van elke dag. Waar is die bruisende geest? Het wordt tijd om een grote schoonmaak te houden en de idealen weer eens op te poetsen!
Zo ervoer ik een griepje die me een week lang vloerde enerzijds als een pijnlijke plaag en anderzijds als een schoonvegende bezem. De koorts brandde door mijn lijf en in een paar dagen tijd was ik drie kilo gewicht kwijt: het opruimen van oude rommel gebeurt bij mij gewoontegetrouw nu eenmaal drastisch.
Koorts is een reactie van het lichaam op een ziekmakend proces. Dat kunnen binnendringers van buitenaf zijn, zoals virussen en bacteriën, of een afbraakproces van binnenuit. De koorts heeft tot doel om het afweersysteem van het lichaam aan te sporen, zodat het zijn werk kan doen. Binnendringers worden onschadelijk gemaakt en afbraakproducten worden uitgescheiden door het lichaam. Vandaar ook het advies om tijdens koorts ruim te drinken. Koorts is dus primair een nuttig proces, dat we zo goed mogelijk moeten zien te begeleiden in plaats van onmiddellijk te bestrijden.
Alleen ontbrak het me aan tijd, of liever gezegd: aan moed en zin om de tijd te nemen, om weer goed op krachten te komen. Stom natuurlijk, want daar had ik nog weken hinder van.
Gelukkig kan het ook anders.Voor al diegenen die deze winter de griep hebben gemist, of voor hen die nog eens op een ordentelijke manier een lijfelijke schoonmaakactie willen houden zonder ziekelijke toestanden als koorts of pijn, kan ik het zeer aanbevelen om een reinigingskuur te ondergaan, bij voorbeeld met een dieet van gezonde sappen.
Maar niet alleen lijf en leden zijn soms toe aan een verfrissing, ook voor de 'ziel' is zoiets heel gewenst! Hiermee doel ik op de manier waarop we denken en voelen en ons uiten.
Om ook zo’n verjongend effect op deze aspecten van het innerlijk in je dagelijkse doen en laten te verkrijgen, kun je eens proberen om vaste reactiepatronen te vervangen door nieuwe. Voorwaarde daarvoor is dat je openstaat voor wat er op je afkomt, dus zonder vooroordeel, en dat je niet bang bent om uit je gewone rol te stappen. Het is hierbij van belang om níet vanuit de ervaring te reageren. Ervaringen hebben immers te maken met het verleden en zijn dus per definitie ongeschikt voor ons doel.
Het is dus de bedoeling dat je jezelf en de ander eens verrast, of je door de ander laat verrassen, door je gevoel of intuïtie te volgen in plaats van je plan of je gebruikelijke manier van doen. Ik realiseer me dat dit misschien vaag klinkt, dus laat ik maar een voorval uit de praktijk nemen om te laten zien wat ik bedoel. Dan wordt het meteen duidelijk hoe boeiend het leven door zoiets kan uitpakken.
Onlangs bezocht ik op verzoek van de verpleging een hoogbejaarde dame, omdat ze gevallen was. Het was aan het eind van de middag, buiten was het al donker, toen ik haar kamer binnenging. Zij zat aan tafel, zonder boek of bord, stil voor zich uit te kijken. Naast haar verspreidde een schemerlamp een zacht licht. Achter haar stond een bed tegen de wand en verder was de kamer vrijwel leeg. Handig voor met de rollator, constateerde ik.
Ik stelde me aan haar voor, omdat ik er niet zeker van was of ze me wel herkende en twijfels had aan haar gezichtsvermogen. Blij keek ze op. Wat was ze klein, zoals ze daar zat, en wat leek ik ongepast groot. Ik trok een stoel naar me toe en ging bij haar zitten.Toen ik haar vertelde waarvoor ik kwam en haar vroeg naar de valpartij en de gevolgen daarvan, stelde ze me meteen gerust. Ze was meer gestruikeld dan gevallen en had zich niet noemenswaard bezeerd. Geschrokken was ze ook niet, want ze struikelde wel vaker, ja, haar ogen waren niet best meer. Ze was vrijwel blind. Ze zweeg.
Ik probeerde me voor te stellen hoe dat was, ruim honderd jaar oud, stram en in elkaar geschrompeld, met slechte ogen, een partner die al vele jaren geleden (tien, twintig, dertig jaar?) was overleden, buren die even krakkemikkig waren als jezelf of nog erger… Geen prettige gedachte! Hoe zou ze dat doen, dit lieve oude mensje, de hele dag zo in haar kamertje doorbrengen?
Hoe is dat voor u, vroeg ik, om zo oud te zijn, hoe brengt u de dag door?
Met enige moeite tilde ze haar hoofd op en keek me even aan. Ik bid veel, antwoordde ze, ik bid veel tot God, dat hij me alsjeblieft komt halen, dat ik naar hem toe mag. Ik verlang er naar om te mogen sterven, en dus bid ik tot God. De zusters helpen me met aankleden en met het eten en brengen me zo ook weer naar bed.
Ik keek even op haar klok aan de wand en zei dat het pas tegen zessen was. Ik had er meteen spijt van. Ze zuchtte en knikte, ‘t was duidelijk nog geen bedtijd. Zo zaten we daar even, beiden zwijgend en verzonken in onze gedachten. Ik realiseerde me dat ik eigenlijk voor niets was geroepen, dat ik nog twee huisbezoeken moest maken en dat ik moe en hongerig was en graag naar huis wilde. Terwijl ik met mijn hand naar mijn tas reikte vroeg ik of ik nog iets voor haar kon doen.
Zou u voor mij willen bidden, vroeg ze, direct en geheel van zelfsprekend. Ik aarzelde even, onzeker over haar bedoeling, en vroeg toen: bedoelt u nú? Ze knikte me bemoedigend toe, vouwde haar handen en wachtte.
Het was wonderlijk en haast onbeschrijflijk hoe allerlei gedachten en gevoelens er door mij heen kolkten in een fractie van een seconde. Ik voelde me plots onzeker, ongemakkelijk en tegelijkertijd intens met haar verbonden in medelijden. Dit was wel het laatste wat ik verwacht had, maar de situatie vroeg om een onmiddellijk antwoord. En terwijl de schok van dat moment nog natrilde in mijn stem begon ik te bidden, zoekend naar de juiste woorden…
Toen ik klaar was keek ik haar aan. Ik moet nu echt gaan, zei ik en gaf haar een hand. Er verscheen een dankbare glimlach op haar rimpelige gezicht. Dank u wel voor uw bezoek, dominee, antwoordde ze, graag tot een volgende keer.