Natuurlijk zul je het een poosje ontkennen, maar vroeg of laat zul je merken dat je alles niet meer zo scherp ziet als voorheen. De ene keer leidt dit tot ergernis, de andere keer tot komische situaties en soms, heel soms, tot bizarre gebeurtenissen...
Zo overkwam het mij dat er in de spreekkamer mensen kwamen met zulke minuscule splinters in voet of hand of met een teek, zo piepklein, dat ik me verbaasd afvroeg hoe zij die ontdekt konden hebben. Vroeger waren splinters tenminste nog splínters, stevige stukjes hout die je er met een pincet zo uit kon trekken, en de teken waren nog als zodanig herkenbaar, met hun metalig glanzende, gezwollen buikjes waaraan een zwart kopje met wriemelende kaakjes en pootjes zat.
Nadat ik weer eens moeizaam had zitten peuteren om zo’n beestje te verwijderen en de patiënt verbaasd had opgemerkt dat het niet om die moedervlek ging, maar om de teek die ernaast zat, maakte ik, nadat de patiënt was verdwenen, nog wat aantekeningen achter m’n bureau. De middagzon scheen door het raam naar binnen en maakte me ietwat soezerig.
Opeens nam ik een beweging waar vanuit mijn ooghoek. Daar verscheen, vanachter een fotolijstje op mijn bureau, een klein wit dingetje ter grootte van mijn duim. Het leek een heel klein mannetje te zijn, dat mij scherpzinnig aanstaarde. 'Wat zit je duf te kijken!' riep hij met een schel stemmetje, 'zie je me soms niet staan?'
Nu ben ik niet zo snel van mijn stuk gebracht en dus pakte ik mijn loep met ingebouwde verlichting en bestudeerde het wezentje nauwkeurig. Het had een witte, gesteven jas aan en om zijn nek hing warempel een stethoscoopje.
'Moet jij een doktertje voorstellen?' repliceerde ik hem.
'Laat dat -tje er maar van af, collega, er is geen enkele reden waarom je zo minachtend naar mij zou moeten doen', was zijn antwoord.
Hoewel ik geamuseerd was, wilde ik niet onbeleefd zijn en bood m’n verontschuldigingen aan. 'Maar je moet toegeven dat je wel erg klein bent'.
Hij begon driftig in het rond te springen en zijn hoofd kreeg een donkerrode kleur. ' ’t Gaat niet om de fysieke gestalte, idioot! Een béétje holistisch arts weet al dat het fysieke lichaam de laagste trap is van de wezensdelenhiërarchie. Het gaat om de geest, suffe slaapkop, en of die nou van een kabouter is of van jou, die geest is onmetelijk groot'.
Ik begreep dat ik dat laatste als compliment kon opvatten, maar dat 'idioot' en 'suffe slaapkop' zat me toch een beetje dwars. Ik boog me naar voren, zodat door de loep bekeken mijn oog voor hem monsterlijk groot zou zijn en beet hem toe: 'Als jij dan zo’n geschoold kabouterdoktertje bent, dan zou je ook moeten weten dat het belangrijk is om je emoties te beheersen. Je hebt een kop als een rijpe kers!' Voldaan leunde ik achterover in mijn stoel.
Mijn collega, als ik hem zo mag noemen, kwam inderdaad tot bedaren. Hij keek me lang en doordringend aan en zei ten slotte ijzig: 'Je lijdt aan presbyvisie'.
'Pardon?' vroeg ik.
'Ja, je hebt me goed gehoord: presbyvisie!' herhaalde hij.
Ik moest glimlachen. 'Moet je horen, vriendje' zei ik, 'ik ben niet echt onder de indruk van je dure woorden. Ik weet wel dat je ouderdomsogen bedoelt. Alleen gebruik je toevallig een niet-bestaande term die een beetje medisch aandoet. Volgens mij ben je helemaal geen medicus, maar gewoon een eigenwijs kaboutertje dat indruk op me wil maken'.
'Maar het is ook helemaal niet nodig om dokter te zijn om bij jou de juiste diagnose te kunnen stellen', antwoordde hij fijntjes. 'Het is zonneklaar dat zich bij jou een aantal karakteristieke verouderingsverschijnselen voordoen. Je krijgt stijve ooglenzen! Denk daar maar eens over na'.
Op dat moment werd er op de deur geklopt en kwam de assistente binnen met een kopje koffie. 'Ik dacht dat je hier wel aan toe was'.
'Dank je, ja, dat kun je wel zeggen'. Tot m’n verbazing merkte ik dat het mannetje er niet meer was. Ik keek eens achter het fotolijstje, niets.
'Zoek je iets?'
'Eh, ja mijn loep'.
'Die ligt voor je neus! Ik geloof dat je zo langzamerhand aan een leesbril toe bent, doc', en ze verdween lachend terug naar haar ruimte.